Veilig kopen voor jouw dier
Snelle levering
Op werkdagen voor 20:00 besteld, vandaag verzonden
(0)224 -21 75 86

Weidecoccidiose bij runderen: symptomen en risico’s

Kalveren in de wei tijdens eerste weidegang met risico op weidecoccidiose bij rund

Weidecoccidiose bij runderen komt vooral voor in het voorjaar, wanneer kalveren en pinken voor het eerst naar buiten gaan. Deze darmaandoening kan zich snel ontwikkelen en onverwacht tot diarree en conditieverlies leiden. Door de signalen van weidecoccidiose bij rundvee tijdig te herkennen, kun je veel problemen en groeivertraging voorkomen.

Wat is weidecoccidiose bij het rund?

Weidecoccidiose is een darminfectie die wordt veroorzaakt door eencellige parasieten (protozoa) uit het geslacht Eimeria. Bij rundvee zijn met name Eimeria bovis, Eimeria zuernii en Eimeria alabamensis van belang. Vooral die laatste soort wordt in verband gebracht met typische uitbraken na het inscharen van jongvee.
Na opname van de parasiet via besmet gras of voer dringen de parasieten de darmwand binnen. Daar vermenigvuldigen ze zich, waarbij darmcellen beschadigd raken. Dit verstoort de opname van vocht en voedingsstoffen, wat uiteindelijk leidt tot diarree en conditieverlies.

Wanneer loop je risico op weidecoccidiose bij runderen?

Weidecoccidiose wordt vooral gezien bij jonge dieren die nog niet eerder met coccidiën in aanraking zijn geweest. Kalveren en pinken die voor het eerst naar buiten gaan, hebben nog geen opgebouwde weerstand en zijn daardoor extra gevoelig.
De eerste klachten ontstaan meestal binnen één tot twee weken na het weiden, al kunnen de symptomen soms al na enkele dagen zichtbaar zijn. Dit maakt de eerste periode na het inscharen een belangrijk moment om de dieren goed te observeren.

De infectiedruk op een perceel speelt hierbij een grote rol. Weides waar eerder besmette dieren hebben gelopen, kunnen lange tijd een bron van besmetting blijven. Oöcysten – de ‘eitjes’ van de parasiet – zijn namelijk zeer resistent en overleven gemakkelijk in de omgeving.

Hoe raken dieren besmet?

Besmetting vindt plaats via opname van oöcysten uit de omgeving. Dit gebeurt meestal via gras, maar ook via water, hooi of een vervuilde ligplek kunnen dieren besmet raken. Wat het ingewikkeld maakt, is dat deze oöcysten nauwelijks zichtbaar zijn en lang infectieus blijven.

Vooral onder vochtige omstandigheden en bij een hoge bezettingsgraad kan de besmettingsdruk snel oplopen. Daarnaast speelt stress een rol, bijvoorbeeld door transport, weersveranderingen of een plotselinge rantsoenwisseling. Hierdoor kan de weerstand van het dier afnemen, waardoor de parasiet meer kans krijgt om schade aan te richten.

Opvallend is dat weidecoccidiose niet uitsluitend een probleem van de wei is. Ook op stal kan besmetting optreden, bijvoorbeeld via besmet ruwvoer of mestresten. De naam is dus enigszins misleidend.

Welke symptomen zie je?

De eerste verschijnselen zijn vaak subtiel. Dieren ogen wat minder alert, eten iets slechter en de mest wordt dunner. In korte tijd kan dit echter omslaan naar duidelijke diarree, die vaak waterig en soms schuimig is.

Naarmate de aandoening zich verder ontwikkelt, kunnen dieren snel uitdrogen en verzwakken. Dit uit zich in een doffe indruk, ingevallen flanken en een duidelijke terugval in groei. In ernstigere gevallen kan er sprake zijn van sterfte, vooral wanneer niet tijdig wordt ingegrepen.

Een kenmerkend aspect van weidecoccidiose bij het rund is dat meerdere dieren in een groep tegelijkertijd klachten ontwikkelen, vaak kort na het moment van weiden. Dit patroon kan helpen bij het herkennen van de aandoening.

Diagnose: niet altijd direct zichtbaar

De diagnose wordt doorgaans gesteld door mestonderzoek, waarbij oöcysten worden aangetoond. Toch is het belangrijk om te beseffen dat de uitscheiding van oöcysten pas later in het ziekteproces op gang komt.

Hierdoor kan het gebeuren dat dieren al duidelijke symptomen vertonen, terwijl het mestonderzoek nog geen uitsluitsel geeft. In zulke gevallen is het klinische beeld, gecombineerd met de voorgeschiedenis – zoals recent inscharen – vaak doorslaggevend.

Bij twijfel kan herhaald onderzoek nodig zijn, of wordt er in overleg met de dierenarts besloten om alvast te starten met behandelen.

Behandeling: snel handelen is essentieel

Wanneer weidecoccidiose wordt vermoed of vastgesteld, is het belangrijk om snel in te grijpen. In de praktijk betekent dit meestal dat niet alleen de zieke dieren worden behandeld, maar de hele groep. Op die manier voorkom je dat ogenschijnlijk gezonde dieren alsnog ziek worden.

De behandeling bestaat doorgaans uit anticoccidiale middelen, die via de dierenarts worden verstrekt. Daarnaast is ondersteuning belangrijk, vooral bij dieren die tekenen van uitdroging vertonen.

Bij diarree verliezen dieren veel vocht en zouten. Het aanvullen hiervan kan bijdragen aan herstel en het op peil houden van de conditie. Producten zoals Excellent Electrolytenmix worden in de praktijk ingezet om de vocht- en elektrolytenbalans te ondersteunen.

Daarnaast kan het zinvol zijn om de darmfunctie te ondersteunen. Producten zoals Excellent Licopect worden vaak gebruikt om de darmflora te helpen stabiliseren en de consistentie van de mest te verbeteren bij diarree.

Minstens zo belangrijk is het management rondom de dieren. Het kan verstandig zijn om de groep tijdelijk van het besmette perceel te halen of op te stallen. Hiermee wordt verdere opname van oöcysten beperkt en krijgt de darm de kans om te herstellen.

Preventie: aandacht voor weide en weerstand

Omdat oöcysten zo lang in de omgeving kunnen overleven, ligt de nadruk bij preventie op het beperken van de infectiedruk en het ondersteunen van de weerstand van de dieren.

Een praktische maatregel is het maaien van het perceel voordat jonge dieren worden ingeschaard. Hierdoor neemt de hoeveelheid besmet materiaal aan het grasoppervlak af. Ook het afwisselen van percelen en het vermijden van overbegrazing dragen bij aan een lagere besmettingsdruk.

Soms worden oudere dieren ingezet om een perceel ‘voor te weiden’. Deze dieren hebben vaak al een zekere weerstand opgebouwd en kunnen helpen om de infectiedruk te verlagen. Dit vraagt wel om een doordachte aanpak, omdat het effect afhankelijk is van de immuniteit van deze dieren.

Daarnaast speelt stalhygiëne een rol. Omdat besmetting ook via hooi of ligplaatsen kan plaatsvinden, is het belangrijk om deze schoon en droog te houden. Zo voorkom je dat dieren ook binnenshuis opnieuw besmet raken.

Tot slot kan ondersteuning van de darmgezondheid bijdragen aan een betere weerstand. Een geleidelijke overgang van stal naar weide helpt om de darmflora in balans te houden. In de praktijk worden daarnaast regelmatig aanvullende producten ingezet die de darm ondersteunen, bijvoorbeeld rondom stressmomenten of bij een verhoogd risico op diarree.

Wanneer schakel je de dierenarts in?

Bij diarree die meerdere dieren tegelijk treft, zeker kort na het weiden, is het verstandig om direct contact op te nemen met de dierenarts. Ook wanneer dieren snel achteruitgaan, slecht drinken of tekenen van uitdroging vertonen, is snelle actie nodig.

Daarnaast is het zinvol om bij terugkerende problemen samen met de dierenarts te kijken naar een structurele aanpak. Denk hierbij aan weidemanagement, monitoring en eventueel preventieve maatregelen.

Tot slot

Weidecoccidiose is een aandoening die vooral jonge dieren treft op een moment dat ze juist een gezonde start in de wei maken. Juist daarom wordt het risico soms onderschat. Door alert te zijn op veranderingen in gedrag en mest, en door aandacht te besteden aan weidebeheer en weerstand, kun je veel problemen voorkomen.

Een goede voorbereiding op het weideseizoen en tijdig ingrijpen maken uiteindelijk het verschil in gezondheid en groei van het jongvee.